ContactWie zijn weFotogalerijWeblinks
Start
Opleiding
Korte Cursussen
Vorming op maat
Lopende Projecten
Agenda
Nieuws
Opiniestukken
Sponsoring
Meer weten

Nieuwsbrief

Wil je graag onze maandelijks nieuwsbrief ontvangen? Schrijf je dan in voor onze nieuwsbrief



Mestactieplan: verschil tussen uitgangspunt en aanpak PDF Afdrukken E-mailadres
zondag, 01 mei 2011 00:00

Mestactieplan: het verschil tussen uitgangspunt en aanpak

Als we de geschiedenis van het mestdecreet en de ontwikkeling van de opeenvolgende versies van het mestactieplan bekijken, zien we drie steeds terugkerende uitgangspunten, waaraan de beleidsmakers zich vastklampen:

  • Dierlijke mest is het probleem, kunstmest is dat veel minder.
  • Het gebruik van mest reglementeren is de oplossing.
  • Als het mestactieplan niet het verhoopte resultaat oplevert, ligt dat niet aan de aanpak of de keuzes die    gemaakt worden in het mestdecreet, maar aan de concrete uitwerking van het mestactieplan, dat niet streng genoeg is, of niet streng genoeg wordt gehandhaafd. Op dus naar de volgende, nog strengere versie van het MAP!

Nu kunnen we ons vanuit de biologische landbouw vreselijk druk maken over dat eerste uitgangspunt. Een begrijpelijke reactie vanwege bioboeren, want het voorbehoud t.o.v. het gebruik van kunstmest is terecht, kan met stevige argumenten worden onderbouwd, en is ook voor minstens een deel van die argumenten wetenschappelijk bewezen. Bovendien zijn bioboeren een flink stuk van hun loopbaan bezig met het ontdekken wat voor wondere, bijzondere weldaad dierlijke mest is voor de bodemvruchtbaarheid en voor al wat in, op en van die bodem leeft. U kent het spreekwoord misschien: "De mest is geen zaligheid, maar doet mirakels waar hij leidt (= Middel-Nederlands voor ligt)."

En die drijfkracht achter de biodiversiteit op onze boerderijen, waarvoor een groot deel van de bioboeren juist vanuit milieubewustzijn hebben gekozen, die wordt nu zo maar eventjes gedegradeerd tot een gevaarlijk milieuprobleem. Je zou je voor minder opwinden.

Maar je kan het ook van een andere kant bekijken. Met getrokken messen tegenover elkaar gaan staan, heeft nog nooit iets vernieuwends opgeleverd. En vooral: hoe het mestprobleem wordt aangepakt, en welke kritische kanttekeningen daar kunnen bij gemaakt worden, verdwijnt helemaal uit beeld, zolang we gebiologeerd blijven staan kijken naar wat ons als bioboeren in eerste instantie raakt of dreigt te raken. Alsof wij met de biolandbouw een eiland zijn dat helemaal op zichzelf leeft en los staat van de rest van de landbouw. Zelf heb ik daar in elk geval een ander gevoel bij.

En daarom wil ik u uitnodigen om samen met mij een paar moeilijke stappen te zetten. Laten we eens genuanceerd kijken naar bovenvermelde uitgangspunten. En vooral, wat nog veel moeilijker is: laten we ernaar kijken vanuit het denkkader van de gangbare landbouw. Laten we met name voor eventjes (niet te lang!) aannemen dat de bodem een substraat is, en dat stikstof gewoon stikstof is, of die nu uit verteerde mest, dan wel uit kunstmest afkomstig is.

Want het zou wel eens kunnen dat het eerste uitgangspunt van het mestactieplan – vanuit die hoek bekeken – helemaal niet het grote probleem is, maar dat dit voor ons – bioboeren – een lastig probleem wordt omwille van al de rest, en met name de concrete aanpak van het vraagstuk.

Dierlijke mest is het probleem, kunstmest is dat veel minder

Dat lijkt zo op het eerste gezicht voor een bioboer een nogal onzinnig verhaal.

Ik herinner mij nog goed dat ik als jonge snaak helemaal "warm" werd van alles wat ik las en hoorde over biologisch(-dynamisch)e landbouw, maar dat ik – toendertijd! – die bioboeren ook wel rare vogels vond. Ik kon hun afkeer voor bestrijdingsmiddelen helemaal volgen, maar waarom zo lelijk doen over een beetje kunstmest? Daar kan je mooie fijnafstemmingen mee maken in een bemestingsplan dat hoofdzakelijk op dierlijke mest is gebaseerd. Dacht ik toen, in mijn onschuld en onwetendheid.

Ondertussen ben ik zelf een rare vogel die van kunstmest niets moet weten. Maar tegelijk weet ik dat ik niet helemaal ongelijk had, want nitraatstikstof heb ik nooit een leuke gevonden, en een deel van de kunstmest waar mijn interesse toen naartoe ging (delfstoffen, metaalslakken, organische handelsmeststoffen), vind je – m.i. terecht – terug in het lastenboek: die dingen waarvoor je mits een degelijk onderbouwd verzoek ontheffing kan krijgen. En hoe groot mijn afkeer van kunstmest ondertussen ook mag geworden zijn, ik durf nu en dan in gedachten nog wel eens spelen met het idee van "omschakelaars-faciliteiten" voor wat sommige van die meststoffen betreft.

Als zelfs het enthousiaste bio-veulen dat ik lang geleden was, heel wat jaren nodig gehad heeft om door te hebben wat de bodem is – of moeten we zeggen "wie" de bodem is? – en wat kunstmest met de bodem doet … Als in het bio-lastenboek het gebruik van kunstmest niet helemaal onmogelijk is, uitzonderlijk weliswaar en onder voorwaarden, maar toch … Dan moeten we ons toch wel iets kunnen voorstellen bij de mening van gangbare landbouwspecialisten dat er ergere dingen zijn?

De denkfout dat kunstmest nagenoeg 100% opneembaar is, en dus geen bijdrage levert aan eutrofiëring, zal nog wel een tijdje stand houden. Maar vroeg of laat wordt het wel duidelijk dat organische stikstof, afkomstig van door kunstmest gedood bodemleven, mee in de balans moet worden opgenomen om het rendement van de kunstmest (en dus de bijdrage van kunstmest aan het nitraatprobleem) af te wegen.

Daarnaast is er natuurlijk ook nog dat andere stukje van het MAP-paradigma: "dierlijke mest is het probleem". Met wat voorafgaat – een te argeloze visie op de nefaste rol van kunstmest – wordt dit al een stuk begrijpelijker. Het nitraatprobleem moet ergens vandaan komen, nietwaar?

Maar daarbij moeten we ook bedenken dat het MAP kadert in een decreet uit de jaren negentig van vorige eeuw, dat op zijn beurt een bemestingstoestand aanpakt uit de jaren tachtig. Er was toen wel degelijk een ernstig probleem met dierlijke mest. Met name keken we toen aan tegen een gigantische overproductie van mest, voornamelijk afkomstig uit de toen nog steeds verder aangroeiende (niet grondgebonden) industriële veehouderij. Deze overproductie werd bovendien nog geaccentueerd door een sterke geografische concentratie van de niet grondgebonden veehouderij.
Er was dus wel degelijk een probleem. Vraag is natuurlijk of vandaag nog voldoende in overweging genomen wordt dat dit probleem niet in eerste instantie te maken had/heeft met de aard van de meststof, maar veeleer met de kwantiteit en de concentratie.

Maar louter objectief bekeken is het paradigma van het MAP, zeker in zijn oorsprong, niet helemaal verkeerd. Er zijn in elk geval achtergronden te bespeuren die dit uitgangspunt begrijpelijk maken, en bovendien zitten aan dit uitgangspunt ook nog wel wat interessante economische bedenkingen vast.

Het paragdigma van het MAP economisch bekeken

Hoe mest en meststoffen ingebed zitten in ecologische kringlopen (of over de oevers van die bedding heenstromen, bij tijd en wijle), daar kunnen we ons, zeker als bioboer, stilaan wel een goed beeld van vormen. Maar hoe passen deze productiemiddelen in de economische kringlopen van vraag en aanbod?

Even filosoferen, en we bekijken daarbij eerst de dierlijke mest.

Dierlijke mest is in veel gevallen verworden tot een nevenproduct of zelfs afvalproduct van de veehouderij. Voor de bedrijven die dit "afvalproduct" produceren zit er ook een lucratieve kant aan vast. Hoe meer vee je houdt, hoe meer je kan verdienen. Je hebt meer voeder nodig, maar dat kan je buiten het bedrijf aankopen. Maar… je krijgt ook meer afval, en die kan je niet zomaar ergens buiten het bedrijf kwijt.

Met zijn dierlijk product (melk, vlees) is de boer aanbieder, en daar staat een vraag tegenover van de markt. Met zijn tekort aan veevoer is de boer vrager, en daar staat een aanbod tegenover van de markt. Met zijn bodemvoedende dierlijke bemesting is de boer een aanbieder, en daar staat een vraag tegenover van de bodem van het eigen bedrijf. Met zijn mestoverschot, geproduceerd op basis van aangekochte voeders is de boer aanbieder van iets waar GEEN vraag tegenover staat van de bodem binnen zijn eigen bedrijf, en evenmin van de markt. De verleiding is dus groot de bedrijfseigen gronden als "zwijgende" vrager te laten optreden. En een tijdlang (zo'n twintig à dertig jaar geleden) gebeurde dat ook effectief, en in een aantal extreme gevallen zelfs zonder einde of maat.

Het krijgt iets vicieus omdat er niet alleen geen remmen op staan (de aanvoer van voeder is, bij wijze van spreken maar soms ook letterlijk, grenzeloos, en het eigen akkerland zwijgt, tenminste toch voor lange tijd) maar er zit bovendien ook een bijzonder krachtige motor op (de voorgespiegelde winst van de veehouderij of de verminderde druk van de schuldenlast).

Bekijken we nu de kunstmest, dan zien we een heel ander beeld.

De kunstmest zit helemaal langs de kant van de plantaardige productie. De "winst" die het kan opleveren (via toename van de voeder- en voedselproductie) is beperkt en eindig, en wordt in evenwicht gehouden door de kosten voor de aankoop van kunstmest. Hier zit dus niet alleen een motor op, maar ook een stevig remsysteem (het economisch optimum).

Zo bekeken – en dat was ook de duidelijk analyseerbare werkelijkheid in de periode die aan MAP1 voorafging – klopt het paradigma. Er zijn met andere woorden niet alleen de omstandigheden van het moment, en niet alleen een nogal oppervlakkige visie op de werking van kunstmest, maar ook stevige economische argumenten die aantonen dat een overaanbod van dierlijk mest niet zomaar een tijdelijke en toevallige (?) samenloop van omstandigheden is. Het gaat om een permanente, reële dreiging, zolang er middelen en mogelijkheden zijn om aan niet grondgebonden veehouderij te doen.

Het paradigma klopt…

… maar er is ook nog de aanpak. Hoe maken we de stap om, vanuit het uitgangspunt dat de risico's vooral langs de kant van de dierlijke mest zitten, een wetgeving te maken die de risico's reduceert?

Ten tijde van het eerste MAP nam in een syndicale vergadering (waarvan ik het verslag mocht maken) een boerin het woord om het verstandigste te vertellen wat ooit over het MAP werd gezegd: "Het mestactieplan wil de mestproblematiek oplossen op het land, maar het probleem zit niet op het land, het probleem zit in de stallen."
En daarmee komen we eigenlijk (en eindelijk) aan de grond van de zaak. Het eerste uitgangspunt van het MAP is geen detail, en zeker geen bijzaak, maar het is ook niet meer dan wat het is: een analyse of afweging van het grootste risico. Pakt het MAP vervolgens ook afdoende de oorzaken aan? Maakt het MAP m.a.w. logische keuzes?

Dat is duidelijk niet zo. Waarom het MAP ervoor kiest om niet de oorzaken (de achtergronden van de overproductie van mest in de stallen) maar de symptomen (mogelijk gebruik van te grote hoeveelheden mest op het land) aan te pakken, daar wordt meestal met grote behoedzaamheid omheen gefietst.

Waarom men het antwoord op die vraag uit de weg gaat, laat zich gemakkelijk in een woord samenvatten: "belangen". Dat hoeft niet noodzakelijk een vies woord te zijn, want "belangen", daar zit ook het belang van de boeren bij.
Er wordt in de veehouderij geld verdiend, nu en dan is dat voor de veehouder een goed belegde boterham, vaak is het eindjes aan elkaar knopen, maar veel boeren leven van de veehouderij. Als de veehouderij gespaard wordt, is dat in het belang van de veeboeren. Maar dat is wel korte-termijn-belang, want als het probleem niet bij de bron wordt aangepakt, hobbelen we van het ene MAP naar het volgende, nog strengere MAP, en op termijn komen alle veehouders in de knoei met hun mestafzet.

Er wordt echter ook veel geld verdiend met de veehouderij, in toelevering en afname. Dat de "stallen" gespaard worden, en maatregelen worden genomen "op het land", is ook en vooral in het belang van de para-agrarische sectoren. Op langere termijn zullen ook zij zich vastrijden, maar "wie dan leeft, dan zorgt". Zij kunnen het in elk geval nog een heel stuk langer uitzingen dan de boeren die rechtstreeks met de keerzijde van de mest-medaille worden geconfronteerd.

De vraag is dan ook of een ander, logisch MAP denkbaar is, dat er inderdaad voor zorgt dat er niet te veel ongelukken gebeuren met overbemesting, maar dat ook de grond van het probleem wordt aanpakt. Een MAP dat ervoor zorgt dat zoveel mogelijk boeren kunnen blijven boeren, en dat de plantaardige productie niet helemaal in de verdoemenis geraakt door steeds verder gaande verstrenging van de normen.
Belangrijk is daarbij in de eerste plaats dat de mestwetgeving zich niet langer verliest in pietluttige controles van allerlei details in de marge, maar bereid is de grondloze veehouderij eindelijk te zien als een echt probleem, dat moet worden aangepakt. Veehouders die door de ontwikkelingsgeschiedenis van onze landbouw in die grondloze veehouderij terecht zijn gekomen, mogen niet ergens in de schaduw gaan schuilen, maar ze mogen evenmin aan hun lot worden overgelaten.

Hoe zou een logisch MAP er kunnen uitzien?

Als dierlijke mest het probleem is, moet een norm gesteld worden aan de hoeveelheid dierlijke mest die maximaal mag gebruikt worden. Hetgeen het MAP ook doet.

Als het gebruik van dierlijke mest binnen welbepaalde normen beperkt wordt, zal de boer er belang bij hebben die dierlijke mest zo gunstig mogelijk te benutten. Hoe, waar, wanneer,… er bemest moet worden, moet derhalve niet in het MAP worden opgenomen. Controle op perceelsniveau is in die optiek al evenmin zinvol.

Als met beperkte hoeveelheden dierlijke mest – en sedert MAP3 gaat het dan over de bio-norm die aan de hele landbouw wordt opgelegd, met hier en daar nog wat ruimte voor bepaalde teeltcombinaties - toch vruchten kunnen worden gewonnen, zoals de Mestbank beweert en de bio-landbouw bewijst, zal geen enkele boer er belang bij hebben extreme doses kunstmest te gaan gebruiken. En mits in normale doses gebruikt (economisch optimum) is kunstmest volgens de Mestbank geen probleem. Dan moeten ze ook niet proberen dat te reguleren, de economie zal hier regulerend optreden.

Voorlopige conclusie: de mestbank moet niet veel meer doen dan uitzoeken waar de risico's zitten op overmatig gebruik van dierlijke mest. Je kan niet aan de ene kant een strenge algemene norm opleggen (2 GVE), en die norm als een soort van nul-bemesting voorstellen die zelfs in natuurreservaten verantwoord wordt geacht, en aan de andere kant een drastische controle doorvoeren op de toepassingsmodaliteiten van dierlijke mest, alsof diezelfde norm, toegepast op landbouwpercelen een gevaarlijke overdosis zou zijn.

Concreet voorstel voor een "logisch" MAP:

Ieder bedrijf doet jaarlijks aangifte van de kadasternummers van de gebruikte percelen, met vermelding van het beslagnummer bij Sanitel. De mestbank vraagt bij het kadaster de bedrijfsoppervlakte op aan de hand van de kadasternummers, en bij Sanitel de totale veebezetting in GVE.

Alle bedrijven met maximaal 2 GVE / ha zijn voor het betreffende jaar in orde voor de mestbankverplichtingen, en de controle houdt daar ook op. Eventueel zou met een soort buffer kunnen worden gewerkt: gemiddeld over de jaren 2 GVE, en geen enkel jaar meer dan bv 2,2 GVE.

Als daar bedrijven tussen zitten die dierlijke mest gebruiken van anderen, dan zijn die "anderen" bedrijven met meer dan 2 GVE / ha, en die worden straks gecontroleerd.

Dat er van bij hen mest naar andere bedrijven gaat, is hun verantwoordelijkheid, zij zijn het die beslist hebben meer vee te gaan houden dan de norm. Het is dus ook aan hen om in te staan voor alle mogelijke mestbankpaperasserij, en zich daarover verder uiteen te zetten met de Mestbank.

Alle bedrijven met een hogere veebezetting dan 2 GVE / ha worden dus gecontroleerd. Zij moeten aan de Mestbank aantonen wat er met hun mestoverschot is gebeurd. Als zij gekoppeld zijn aan andere bedrijven die met het totaal van eigen mest en aangevoerde mest samen binnen de 2 GVE-norm blijven, houdt ook daar de controle op. Afgelopen.
En al de rest is goed voor liefst geleidelijke, maar in elk geval goed begeleide afbouw.

Hoe evolueert de toestand verder als een logisch MAP wordt doorgevoerd?

Als een dergelijke maatregel wordt opgelegd, zullen steeds meer bedrijven evolueren naar een effectieve veebezetting (grondgebonden of grondverbonden) van 2 GVE / ha. Daarbij komt er mogelijks tijdelijk nog wat extra druk op de grond, maar dit zal waarschijnlijk beperkt zijn. De mestafzetnormen zijn na de opeenvolgende mestactieplannen dusdanig streng (en de grondprijzen ondertussen ook dusdanig hoog) dat slechts een klein aantal bedrijven hierin een oplossing zal zien.

Niet grondgebonden bedrijven krijgen het heel moeilijk. Zij trachten zich mogelijks nog een tijdlang te redden met mestafzet op bedrijven zonder vee, of via mestverwerking, maar dat heeft zijn prijs.

Voor deze bedrijven zal de vraag niet langer uit de weg kunnen worden gegaan waar er eventueel nog reconversiemogelijkheden zijn, waar er toekomst is mits gedeeltelijke afbouw, en waar stopzetting moet worden overwogen. Dat klinkt hard, maar het kan ook op een menselijke manier worden aangepakt. Toen beslist werd dat vetmesten van kistkalveren met uitsluitend poedermelk niet langer kon, en overgestapt moest worden op groepshuisvesting en gemengde rantsoenen voor de productie van kalfsvlees, werd dit aangepakt in een tijdstraject met geleidelijke uitfasering, o.m. gebaseerd op het al of niet aanwezig zijn van recente investeringen.

Waarom zou dat niet eveneens kunnen in de afbouw van de niet-grondgebonden veehouderij?

Dat is uiteraard maar een stuk van het verhaal, de kant van de veebezetting en de mestafzet. Maar hoe zit dat dan met de plantaardige productie?

Een maximale dierlijke bemesting van 2 GVE / ha zet de plantaardige productie niet meteen op de helling, zoals de biologische landbouw aantoont. Maar er zijn natuurlijk wel wat randvoorwaarden, zoals mest van goede kwaliteit, in een goed verzorgde bodem, en ingepast in een echte strategie die rekening houdt met omgevingsomstandigheden en vruchtwisseling. Of anders gezegd: de bemesting helemaal uitgevoerd met de nodige visie, door vakbekwame boeren en op hun eigen boerderij.

Na het doorvoeren van een logisch MAP zullen heel wat boeren in een eerste fase in de verleiding komen veel kunstmest te gebruiken, maar dat zal een tijdelijk fenomeen zijn. Een tijdlang zal het nog wel werken, maar gaandeweg zal duidelijk worden dat dit een eindige oplossing is.

Bedrijven die drijfmest gebruiken, bedrijven die kunstmest gebruiken en bedrijven met korte, onevenwichtige vruchtwisselingen komen op termijn in de knoei. Dat zal het snelst blijken waar de bedrijfsvoering een combinatie is van de drie. Korte, onevenwichtige vruchtwisselingen ontwikkelen een eenzijdig, wankel bodemleven, waarop dan vervolgens de sluipmoord van de drijfmest (allerlei giftige zuren) en de aanslag van de kunstmest (voor bacteriën dodelijke zouten) worden losgelaten. Dat moet op termijn doodlopen…

Zolang het MAP uitgaat van het principe dat de bodem een substraat is, veel boeren wil sparen door toch nog wat mogelijkheden open te houden, en die mogelijkheden vervolgens met een draconische controle in de hand houdt om rampen te voorkomen, blijft ons blikveld verduisterd, en kunnen wij onmogelijk inzien hoe de bodem werkelijk leeft, hoe de levende bodem als schakel in de kringloop al de rest van de landbouw draagt.

Als we het helemaal loslaten, en willen boeren zonder MAP, dan gebeuren er effectief rampen. We waren er twintig jaar geleden vlakbij ! Dat is dus niet de oplossing.

Laat in een "ander" MAP eens eventjes een paar dingen los die je zonder al te groot risico kan loslaten, is ook een mogelijke boodschap. Door enerzijds strenge normen op te leggen, maar anderzijds in de omgang daarmee ook wel wat dingen mogelijk te maken, kan je ook zien wat in kleine hoeveelheden op termijn toch nog goede resultaten oplevert, en wat niet meer werkt.

Laat op die strenge normen en de vastgelopen technieken van drijfmest en kunstmest het probleemoplossend vermogen van de boeren los, en de oplossing komt in zicht.
Dan krijgen we een duidelijk beeld hoe stalmest het bodemleven opbouwt. Hoe vruchtwisseling zorgt voor een bio-divers bodemleven. Hoe vlinderbloemigen niet alleen stikstof in de bodem brengen (en welk soort stikstof!) maar ook fosfaat "losweken" dat nu nog rotsvast zit.

Maar ook hoe die vlinderbloemigen rust brengen op het bedrijf, en een ander voeder, en dus andere mest mogelijk maken. Hoe die nog te korte vruchtwisseling vraagt om meer "slagen" en dus ook wat ruimte creëert voor granen. Hoe aan die granen stro vastzit, waardoor de roosters uit de stallen wegkunnen, en stalmest op meer bedrijven dan vandaag geleidelijk de drijfmest vervangt. Enzovoort.

Maar waar zit de biolandbouw in heel dit MAP-verhaal?

Ik hoor het de Landwijzer-studenten al vragen: "Ja, kom zeg, waarom kan de mestwetgeving niet gewoon de bio-landbouw opleggen? Alles opgelost!"

Bio-landbouw is toch de meest milieuvriendelijke vorm van landbouw? Als iedereen bio boert zijn de milieuproblemen opgelost. Of op zijn minst zou het MAP toch rekening kunnen houden met de bio-landbouw en dit als uitgangspunt of mogelijke optie opnemen?

Het zou kunnen, maar de vraag is of dat goed is? Waar willen we naartoe? Dat boeren, steeds meer boeren, en finaal alle boeren, INZIEN hoe duurzame landbouw werkt, en vanuit dat INZICHT zelf voor duurzame landbouw KIEZEN. Sommigen, liefst velen, en hopelijk op termijn alle boeren, kunnen die duurzaamheid – al dan niet geleidelijk, maar in elk geval uit eigen vrije wil - vertalen in een biologische bedrijfsvoering.
Maar je kan onmogelijk iemand bij wet verplichten iets in te zien.

Bovendien moeten we er ons bewust van zijn dat bio-landbouw niet door iedereen wordt gezien als de meest milieuvriendelijke manier van boeren. We zijn momenteel nog steeds in de fase waarin de bio-landbouw zich moet "verdedigen", moet bewijzen dat bio-landbouw überhaupt mogelijk is, en zelfs moet bewijzen dat het toepassen van de bio-methode de voedselvoorziening niet in het gedrang brengt ! Zelfs diegenen onder de gangbare boeren en landbouwspecialisten die vinden dat de bio-landbouw er best mag zijn (zonder dat zij daar zelf voor kiezen), vinden de bio-landbouw in de eerste plaats een interessante "niche", veeleer dan een meer milieuvriendelijke methode dan "duurzaam gangbaar".

Bioforum, de keten- en koepelorganisatie van de biosector heeft in de voorbije weken en maanden hard gewerkt aan een standpunt en bijsturing rond MAP 4. Standpunten en voorstellen van Bioforum gaan uiteraard niet zover dan de dagdromen van ondergetekende. Bioforum heeft immers de opdracht om bio-landbouw binnen de realiteit van een veranderende en verstrengende wetgeving zoveel mogelijk toekomstkansen te geven.

Met het standpunt en de voorstellen rond MAP 4 doet Bioforum al het nodige om die opdracht waar te maken. Met name met het centrale gegeven om tegenover de perceelsbenadering (toepassing van de normen per perceel) de bedrijfsbenadering te stellen, heeft Bioforum de voorzet gegeven om in een "ander" MAP eens eventjes wat dingen los te laten die voor de bioboeren het verschil kunnen maken.

Wij kunnen de Bioforum-voorstellen dan ook zondermeer onderschrijven.

Als ik dan toch een kleine nuance zou mogen aanbrengen, dan zou ik exact dezelfde maatregelen voorstellen, maar dan ten behoeve van alle boeren – bio en gangbaar – die aan de bemestingsnormen van de biolandbouw beantwoorden. Maar dat is natuurlijk de hoogstindividuele mening van

Koen Dhoore
Mei 2011