Waarom omschakelen naar biologische landbouw in Vlaanderen zo moeilijk blijft...
Het gaat nog steeds niet goed met de omschakeling naar biologische landbouw in Vlaanderen. Ons biologisch landbouwareaal stagneert al een hele tijd rond de 0,6% (+/- 3.660 ha) van ons totale landbouwareaal dat zo'n 630.000 ha telt en ongeveer 45% van de oppervlakte van Vlaanderen vertegenwoordigt. Daarmee zitten we als Vlaamse regio Europees gezien aan de staart (et Europees gemiddelde ligt rond de 4%) en tonen we ons allerminst innoverend en progressief. Toch wil Vlaanderen een vooruitstrevende regio zijn; dat is althans de bedoeling van de grote VIA-campagne: 'Vlaanderen in Actie'. Enkele studies over de grote Vlaamse achterstand op dit vlak en diverse acties om Vlaamse boeren te stimuleren de omschakeling naar bio in overweging te nemen, hebben echter nog niet zo veel vooruitgang geboekt, hoewel er sinds vorig jaar (2009) toch wat beweging op gang komt, dankzij het project "Bio zoekt boer".
Netto zijn er de laatste 5 jaar een 20-tal bio-boeren bijgekomen. Tegelijk zijn er ook jaarlijks een aantal gestopt; de bruto-toename ligt dus een stuk hoger. Alles bij elkaar zijn er momenteel om en bij de 245 bio-boeren in Vlaanderen op een totaal van zo'n 28.000 land- en tuinbouwbedrijven. Als je rekening houdt met het feit dat een deel van die biobedrijven wordt uitgebaat door mensen die oorspronkelijk niet uit de landbouw kwamen en dat ook nu nog "nieuwe" boeren instromen in de bio-landbouw, mag je wel stellen dat het enthousiasme bij gangbare boeren om biologisch te telen, niet groot is. Hoe kunnen we dit begrijpen en hoe komen we uit die impasse? We gaan op zoek naar de drempels die de omschakeling van gangbare landbouw naar bio tegenhouden : enerzijds de harde feiten die omschakelen moeilijk maken, maar anderzijds ook de factoren die boeren vaak onbewust tegenhouden om open en eerlijk deze omschakeling te overwegen.
Evolutie van het biologisch areaal in Vlaanderen, ingedeeld naar teeltgroep, 2002-2009
|
(hectares)
|
2002
|
2003
|
2004
|
2005
|
2006
|
2007
|
2008
|
2009
|
|
Akkerbouw
|
805
|
870
|
876
|
794
|
631
|
687
|
768
|
756
|
|
Bodembedekking
|
322
|
456
|
526
|
565
|
559
|
596
|
604
|
670
|
|
Grasland+boomkweek
|
1.973
|
1.559
|
1.328
|
1.302
|
1.463
|
1.568
|
1.464
|
1.419
|
|
Sierteelt
|
1
|
1
|
1
|
0
|
2
|
1
|
1
|
1
|
|
Groenten
|
348
|
344
|
272
|
296
|
378
|
399
|
385
|
424
|
|
Fruit (incl. noten)
|
191
|
201
|
216
|
196
|
234
|
246
|
270
|
389
|
|
Totaal
|
3.640
|
3.440
|
3.219
|
3.153
|
3.267
|
3.497
|
3.492
|
3.659
|
|
Waarvan in omschakeling
|
242
|
453
|
677
|
517
|
293
|
427
|
366
|
597
|
Bron: Departement Landbouw en Visserij
Transitie
De biologische landbouwbeweging is al meer dan 85 jaar pionier in de transitiebeweging naar duurzaamheid in Europa. Ondertussen is die transitiebeweging uitgebreid naar vele andere maatschappelijke terreinen en sinds enkele jaren sterk in de aandacht gekomen, o.a. omwille van de klimaatverandering. In toenemende mate worden we aangezet tot verandering : op vlak van energieopwekking & -verbruik, op vlak van transport, woningbouw, kledij, reizen, ecologische voetafdruk, enz. Toch zijn er nog veel weerstanden tegen die transitie en worden we geremd door gehechtheid aan oude (consumptie)patronen, door machtsstructuren en door de afhankelijkheid van het grootkapitaal, dat vaak niet gebaat is bij deze verduurzaming.
Op dezelfde manier vindt ook de inertie in de Vlaamse landbouw tov de omschakeling naar duurzamere praktijken zijn oorsprong in oude patronen en structuren. Decennia lang heeft men de Vlaamse boeren ingeprent dat specialisatie, schaalvergroting en intensivering op het vlak van kapitaal, chemie, technologie en externe inputs, gecombineerd met extensivering van arbeid, dé toekomstgerichte innovaties waren die onze landbouw zouden doen overleven in de globaliserende vrije landbouw- en voedselmarkt. Maar ondanks die veelbelovende prognoses zijn de productiekosten blijven stijgen en de marktprijzen blijven daalden. Meer en meer wordt de Vlaamse landbouw geconfronteerd met het feit dat de ingeslagen weg in de huidige, veranderende omstandigheden veeleer tot achterstand leidt dan tot voorsprong. Politiek en landbouworganisaties hebben decennialang blijk gegeven van een gebrek aan échte vooruitziendheid.
Duurzaamheid was immers in de vlucht vooruit geen thema van belang. Maar momenteel is diezelfde duurzaamheid een wereldwijd actueel thema waar niemand nog onderuit kan. De Vlaamse landbouw, -boeren en landbouworganisaties zitten echter vast aan de keuzes die ze jarenlang hebben gemaakt. De boer die zwaar geïnvesteerd heeft in intensivering, moet nu in de eerste plaats z'n eigen overleving bevechten want verduurzamen ervaart hij vaak als een regelrechte bedreiging van zijn directe voortbestaan.
Drempelvrees
Er zijn vele drempels die de modale, gangbare Vlaamse boer moet overwinnen om de keuze voor bio-landbouw ernstig te nemen, laat staan door te voeren. De gemiddelde leeftijd van de huidige boeren speelt hier om te beginnen al een belangrijke rol. Wie stilaan aan 'uitbollen' denkt, begint niet meer aan een jarenlang intensief omschakelingsproces. Ten dele wordt het dus wachten op de nieuwe generatie boeren en boerinnen. Maar ook zij hebben niet noodzakelijk een open geest ten aanzien van de biologische teelt. Immers, de hele omkadering van de agrarische wereld heeft er lange tijd een sport van gemaakt om die drempels tov de bio-landbouw extra te accentueren. Terwijl de overheid in onze buurlanden al volop de ontwikkeling van de biologische landbouw aanmoedigde en ondersteunde, waren noch onze overheid, noch de grote Vlaamse landbouworganisaties geïnteresseerd in biolandbouw en werd hier de bio-beweging nog actief gemarginaliseerd. Pas toen vanuit Europa de wetgeving rond biologische landbouw tot stand kwam (1991-1999), zagen beiden
(overheid en landbouworganisaties) zich verplicht hun houding te wijzigen en bio-landbouw ernstig te nemen. Maar de jarenlang opgebouwde, hardnekkige tegenstand en vooroordelen, die doorgedrongen zijn tot in de kleinste geledingen van de sector, draait men niet in één decennium om. Sinds 1999 worden er in Vlaanderen door de opeenvolgende ministers van landbouw noemenswaardige inspanningen gedaan om bio-landbouw te stimuleren, maar vele van de aangedikte drempels zijn nog zeer voelbaar aanwezig. Wat decennia lang is gevoed en in stand gehouden, verdwijnt niet zomaar in de mentaliteit van een behoudsgezinde sector.
We zullen hieronder 5 drempels onderzoeken: - op landbouwtechnisch en ecologisch vlak - op economisch vlak - op sociaal vlak - op het vlak van regelgeving en rechtsvormen- op ideologisch vlak. Voor elke drempel gaan we zowel in het verleden als in het heden na welke remmende werking er van uit gaat en hoe daaraan verholpen kan worden.
De ecologische drempel
Het meest voor de hand liggende argument tegen bio-landbouw was lange tijd de eenvoudige bewering dat het landbouwtechnisch niet haalbaar was, tenzij men dag en nacht op de knieën onkruid wilde zitten wieden. Oudere boeren wisten nog goed hoeveel handwerk het vroeg om de akkers schoon te houden vóór de opkomst van de herbiciden en wilden het gemak van de gifspuit niet meer kwijt. Op dezelfde manier spookte het
doembeeld rond van onbeheersbare ziekten en plagen in de bio-teelt met zelfs totale oogstderving als gevolg. Ook de opbrengsten zouden drastisch naar beneden gaan en bij omschakeling op grote schaal zou het zelfs onmogelijk worden om de (wereld)bevolking te blijven voeden.
Ondertussen werd het verder ontwikkelen van de biologische teelttechnieken volledig aan de bio-boeren zelf overgelaten; het gesubsidieerde landbouwonderzoek keek geheel de andere kant uit. Zo was de vicieuze cirkel rond.
De boodschap was duidelijk : landbouw en ecologie waren niet te verenigen. Dat werd hier en daar zelfs wetenschappelijk onderbouwd zodat de boer gerust kon zijn: de belasting die hij legde op het milieu, de natuur en de gezondheid van bodem, plant, dier en mens was onvermijdelijk, inherent aan de landbouw en zelfs niet noemenswaardig schadelijk. Ook de dominante strekking binnen de Vlaamse verenigingen voor natuurbehoud heeft gaandeweg van de scheiding tussen landbouw en natuur een ideologie gemaakt en pleit nog steeds hoofdzakelijk voor een strikte scheiding tussen natuurgebieden en landbouwzones met hoogstens zeer beperkende beheersovereenkomsten.
De achterstand in Vlaanderen op het vlak van kennis omtrent biologische teelttechnieken, heeft intussen plaats gemaakt voor toenemende belangstelling. Door de subsidiëring van onderzoek, voorlichting, vorming en omschakeling is een inhaalbeweging gemaakt. Op dit moment staan vele biologische teelttechnieken aardig op punt: bodembeheer, groenbemesters, compostering, organische bemesting, vruchtwisseling, onkruidbeheersing, diereigen rantsoenen en stalsystemen, beheersing van ziekten en plagen, natuurlijke veredeling; ze worden alle op steeds meer plaatsen onderzocht en verder bijgesteld. De mythe dat het allemaal technisch niet uitvoerbaar is, is ontkracht. Door praktijkonderzoek, demo-bedrijven, artikels in vaktijdschriften en het opmaken van technische bedrijfsomschakelingsplannen op maat, wordt aangetoond dat omschakelen haalbaar is. Gangbare boeren die zich wíllen informeren, kunnen vandaag de dag vaststellen dat bio-teelt landbouwtechnisch mogelijk is.
De economische drempel
Een tweede -en wellicht nog steeds grootste- drempel, is die van de economische leefbaarheid. Mede door hun idealisme, hun soms beperkte agrarische ervaring, de moeizame zoektocht naar gepaste technische oplossingen en de onzekere afzetkanalen, straalden de bedrijven van de biologische pioniers vaak een zwakke economische rendabiliteit uit. Redenen genoeg voor de gangbare collega's om aan te nemen dat de teelttechnische beperkingen, de extra arbeid, de gemiddeld lagere opbrengsten en de onzekere afzet in de bio-landbouw structureel voor een gebrek aan rendabiliteit zouden zorgen. Wie graag gezin en bedrijf in stand hield en z'n investeringen afbetaalde, kon maar beter geen overstap naar bio wagen.
Ondertussen is die situatie eerder omgekeerd: cijfers tonen aan dat de rendabiliteit en het inkomen op goed gerunde bio-bedrijven stijgt. Mits een goede coördinatie en samenwerking is het zelfs mogelijk om de bio-afzet zodanig te stroomlijnen dat er geen al te grote schommelingen ontstaan tussen vraag en aanbod en de prijzen niet kelderen. Vanuit overheid en landbouwsector is er dan ook in de communicatie naar gangbare telers grote (té grote?) aandacht voor de economische kant van een omschakeling. Naast de noodzakelijke omschakelingssteun die startende bio-boeren ontvangen, wordt op diverse manieren gepoogd bedrijfseconomische cijfers van bio-bedrijven te verzamelen en ze te vergelijken met die van gangbare boeren, zodat ook hier de positieve effecten kunnen worden aangetoond. Daar schuilt een reëel gevaar in : net zoals we in onze maatschappij te maken krijgen met een grote stroom van 'economische vluchtelingen' uit Oost-Europa en andere delen van de wereld, wordt hiermee de deur open gezet voor 'economische vluchtelingen' uit de gangbare landbouw. Een éénzijdig op economische motieven gebaseerde omschakeling is immers niet duurzaam en creëert grote druk op het verlagen van de normen voor de biologische teelt. Niettemin is dit spoor voor vele gespecialiseerde, kapitaalsintensieve en hoog productieve, gangbare bedrijven, uitgerekend op basis van hun economische situatie, onmogelijk. Ze zitten economisch zo in de tang door hoge investeringen dat ze de onvermijdelijke economische dip in de eerste jaren van de omschakeling onmogelijk aankunnen.
Eigenaardig is ook het feit dat enkel van boeren wordt verwacht dat ze -op termijn- het hele bedrijf omschakelen naar een biologische bedrijfsvoering. Dat is op zich wel logisch, maar voor verwerkers en handelaars geldt deze verwachting niet. Daar volstaat het om even de gangbare productielijn schoon te maken of aparte verpakkingen te voorzien. Van verwerkers en handelaars wordt dus niet verwacht dat ze omschakelen naar een biologische visie. Het volstaat dat ze op pruductniveau inspelen op de opportuniteit in de markt. En dat heeft gevolgen voor de prijsvorming voor de bio-boer. Wie z'n bio-producten afzet via grote afnemers, al dan niet (groten)deels gangbaar, wordt niet zelden gedwongen om tegen een vaste meerprijs tov van de gangbare marktprijzen te produceren. Alsof er een koppeling zou bestaan tussen de kostprijs in de biologische teelt en de gangbare marktprijs…? Als je weet dat gangbare prijzen volkomen vervalst zijn door overaanbod, speculatie en bikkelharde druk vanuit de grootdistributie, is zo'n koppeling volkomen onzinnig. Als men wil voorkomen dat ook in de bio-landbouw boeren onder de kostprijs moeten gaan produceren, zal ook op dit vlak nog een flinke inhaalbeweging moeten worden gemaakt. Het heeft immers geen zin om gangbare boeren te verleiden om te schakelen naar bio-teelt met het argument dat ze het economisch beter zullen doen, om hen vervolgens opnieuw economisch zwaar onder druk te zetten. Vooral afnemers die enkel een biologische lijn hebben in een overwegend gangbaar assortiment of die qua kapitaal in handen zijn van grote gangbare bedrijven of financiers, zullen hier een ernstige bewustzijnsoefening moeten doen. Biologische landbouw vraagt immers ook om een 'biologische' economie, 'Fair Trade' in de volksmond. Alleen zijn er nog steeds heel wat mensen die denken dat dit enkel geldt voor boeren in het zuiden.
Waarom hebben bio-demo-bedrijven, bio-omschakelingsplannen, bio-omschakelingssubsidies en bio-afzetprojecten in Vlaanderen vooralsnog zo weinig effect?
Er gebeurt tegenwoordig ogenschijnlijk al heel wat in Vlaanderen om gangbare boeren over de streep te halen en hen met bio-landbouw te laten kennismaken. Vooral rond de twee meest opvallende drempels, teelttechnisch/ecologisch en economisch, wordt hard gewerkt, maar het haalt weinig uit. Men kan dus de vraag stellen of het wel zo is dat boeren enkel gedreven worden door technische haalbaarheid en economische rendabiliteit bij hun keuze voor bio-landbouw. De eenzijdige aandacht voor deze aspecten ligt naar onze mening mede aan de basis van de minimale groei van de bio-productie in Vlaanderen. Tevens heeft men gangbare boeren op dit vlak zeer lang collectief behandeld: massavoorlichting, demo-dagen,…. Pas sinds de start van het project 'Bio zoekt boer' is er gekozen voor de noodzakelijke individuele aanpak en begeleiding.
Bio-landbouw is geen main-stream-beweging, maar een transitiebeweging. Een landbouw met beperkingen die vrijwillig worden aangegaan vanuit een eigen keuze. Wie die transitie ten volle wil doormaken, heeft niet genoeg aan oppervlakkige technische en economische drijfveren, maar dient ook in zichzelf de transitie aan te gaan. "Omschakelen naar biolandbouw zit voor 90% tussen je oren", zegt men. De moed en de kracht om dat proces aan te durven, schuilt niet enkel in de landbouwtechnische en economische haalbaarheid; hoewel dat uiteraard noodzakelijke voorwaarden zijn. Wanneer men echter enkel op die randvoorwaarden focust, zullen ook enkel bedrijven omschakelen die het technisch en economisch zonder al te veel veranderingen en kleerscheuren aankunnen. Om ook andere boeren en bedrijven te bereiken, zijn tevens sociale erkenning, stabiele rechtsverhoudingen en het voeden van een persoonlijke motivatie noodzakelijk. Dat geeft mensen het vermogen om drempels te overschrijden en weerstanden te overwinnen, die ze voordien als onoverkomelijk aanzagen.
Zowel de bio-beweging als het huidig omschakelingsbeleid van de overheid laten op dit vlak veel kansen liggen. Om ook die andere drempels te kunnen aanpakken, moet je ze eerst onder ogen zien en benoemen, dwz:
- de sociale weerstand tegen bio,
- de problematiek rond wetgeving, controle en rechtsonzekerheid in de biologische landbouw
- en de ideologische leegte in de gangbare landbouwwereld.
Velen zijn echter bang om zich hierover uit te spreken, omdat het tere plekken blootlegt binnen de eigen beweging of omdat het de bio-beweging nog meer in een confronterende positie plaatst tov de gangbare landbouwwereld. En dat wil men nu net zoveel mogelijk vermijden. De bio-beweging mag de gangbare boeren en agro-industrie niet voor het hoofd stoten, maar moet constructief samenwerken. Toch geloven we dat die samenwerking best verloopt op basis van de sterke troeven van de bio-landbouw en niet omdat de bio-beweging zich goed leent tot niche-schaamlap voor de problemen in de gangbare landbouw. Daarom onderzoeken we hier ook de drempels die zelden in kaart worden gebracht, maar niettemin een grote rol spelen in de relatie tussen bio en gangbaar in Vlaanderen.
De sociale drempel
Het is algemeen aanvaard dat er minstens 3 pijlers zijn voor duurzame ontwikkeling, samengevat in de 3 P's: People – Planet – Profit, zijnde sociale, ecologische en economische duurzaamheid. Hoe is het gesteld met het sociale klimaat in de Vlaamse landbouw tov Bio?
De landbouwtechnisch/ecologische en economische drempels maakten de bio-landbouw van bij het begin al niet bepaald populair. Je moest behoorlijk idealistisch ingesteld zijn om de bio-teelt toch aan te durven. Bijgevolg kwamen vele bio-pioniers zelf niet uit de landbouw. En dat in een sector waarin het vak sinds mensenheugenis werd doorgegeven van vader op zoon. Daar bovenop waren in de pioniersjaren sommige bio-boeren effectief zichtbare alternatievelingen en trokken bio-bedrijven niet zelden vrijwilligers en klanten aan van allerlei slag. De doorgaans behoudsgezinde boerenstand zag dit met verbazing en onrust gebeuren. Bio-boeren en –bedrijven kwamen hierdoor in de marge terecht van het sociale weefsel op het platteland. In die tijd, waarin landbouw en natuur nog sterk tegenover elkaar stonden, zagen heel wat gangbare boeren hun bio-collega's tevens als collaborateurs met de vijandige "groene" beweging. Geen voorbeelden maar tegenstanders. Ook sommige bioboeren en -sympathisanten hebben zich in de weinig welkome sfeer die zo heerste, eerder vijandig opgesteld tov hun gangbare collega's. Bovendien moest een gangbare boer die omschakeling overwoog vaak de laatste frequente sociale contacten op en rond z'n bedrijf met allerlei leveranciers en afnemers doorknippen, want overstappen naar bio betekent het uitbouwen van een geheel nieuw netwerk. Boeren die dus graag een goede verstandhouding met familie, buren, vrienden en professionele contacten wilden behouden, konden maar beter verder gangbaar boeren.
Met de grote coalitie rond het huidige actieplan biologische landbouw (Overheid – Bioforum – Boerenbond - ABS) lijkt dit alles tot een ver verleden te behoren. Voortaan zijn we vrienden en schudden we elkaar de hand. Maar in de praktijk ten velde zijn de tegenstellingen nog lang niet verdwenen. Indianenverhalen over bio-boeren die 's nachts spuiten, over collectief bedrog in de bio-sector of producten die er niet uitzien, doen nog steeds de ronde in landbouwmiddens en voeden verder de vooroordelen die velen niet eens wíllen toetsen aan de werkelijkheid. In de collectieve weerstand tegen de noodzakelijke verandering voelen mensen zonder uitzicht toch nog enige collegialiteit.
Dit "oorlogsverleden" tussen gangbare en bio-boeren in de landbouw is nog steeds niet uitgeklaard, meer zelfs, het blijft een taboe. Er is momenteel wel een bestand, maar van echte vrede kan je nog niet spreken. Die kan er wellicht pas komen als er ook openlijk op zou teruggeblikt worden. Net zoals bij een échte oorlog het verleden slechts kan worden losgelaten nadat het openlijk werd erkend, zou ook hier een eerlijke terugblik op de eigen houding tov de bio-beweging vanuit overheid en landbouworganisaties enerzijds en vanuit bio-boeren tov de gangbare landbouw anderzijds, heilzaam zijn. Het zou niet enkel zalf zijn op de wonden van de bio-pioniers die heel wat tegenstand hebben moeten (ver)dragen en van gangbare boeren die soms al te grote verwijten hebben moeten slikken, het zou ook voor al diegenen, die denken dat ze nog steeds bio moeten bestrijden of juist bio moeten verdedigen door de gangbare landbouw zwart te maken, het signaal zijn dat de wapens nu definitief mogen worden neergelegd.
Bio-boeren erkennen als échte voor-trekkers
Wil men de Vlaamse boeren stimuleren om hun bedrijf om te schakelen naar een meer duurzame bedrijfsvoering -en naar bio-landbouw in het bijzonder- dan zal ook het sociale vraagstuk moeten worden aangepakt: dat wil zeggen de sluimerende weerstand in onderwijs, vakorganisaties, voorlichting en bij afnemers, leveranciers en collega- boeren onder ogen zien en omzetten in belangstelling. Méér bio als onderdeel van de VIAcampagne, bio kopen met eco-cheques en bio op tafel bij de overheid. Gelukkig leren steeds meer mensen het verschil maken tussen zelf de keuze voor bio niet kunnen of willen maken en -als gevolg daarvan- de hele bio-beweging onvoorwaardelijk afkraken tot op de grond. Her en der wordt met groeiende bewondering gekeken naar het succes van bio-bedrijven. Dat mag nog meer in de verf worden gezet. Want "Wat de boer niet kent, dat eet hij niet", zegt het spreekwoord en dat mag je in dit geval zelfs omkeren. Zolang de overheid en de agrarische wereld hun 'goodwill' tov bio-landbouw beperken tot woorden, blijft de achterban sceptisch. De dag dat gangbare boeren daadwerkelijk kennis maken met bio-producten en zien dat overheid en landbouworganisaties zelf deze producten op tafel zetten, wordt er een sterk sociaal signaal gegeven.
Ook het feit dat vele bio-bedrijven door hun visie, hun nevenactiviteiten en/of hun lokale verweving vaak actief betrokken consumenten aantrekken en soms sterk vernieuwende sociale netwerken creëren, kan voor bepaalde gangbare boer(inn)en aantrekkingskracht hebben.
De rechts-drempel
Biologische landbouw berust op een vrijwillige keuze tot het respecteren van beperkingen; de beperkingen van de natuur en als gevolg daarvan de beperkingen die de bio-beweging zichzelf heeft opgelegd. In oorsprong gebeurde dat in van onderaf ontstane, regionale organisatievormen waarin vertrouwen en direct contact een sterke rol speelden. Bij gebrek aan uitgebouwde handelskanalen kenden boeren en consumenten elkaar ook vaak rechtstreeks en was er een directe uitwisseling. Maar door de groei van de beweging was wetgeving nodig om misbruiken te voorkomen. Zo kreeg een vrijwillige keuze binnen een autonoom georganiseerde beweging meer en meer een van bovenaf opgelegd verplichtend kader, aangestuurd door een bureaucratisch apparaat. Het initieel vertrouwen tussen boer en consument veranderde in structureel wantrouwen tov elke biologische producent of
verwerker vanuit controleorganismen en overheid. Daar waar in oorsprong de bio-beweging werd aangestuurd en geïnspireerd door de visie van de pioniers, wordt ze nu aangestuurd door wetgeving en regels, ontworpen door ambtenaren. Boeren die informatie vragen over biologische landbouw krijgen het lastenboek en de controletarieven toegestuurd.
Boeren hebben tegenwoordig sowieso al te maken met heel veel wetgeving en controles (ruimtelijke ordening, vergunningen, mestwetgeving, pachtwetgeving, voedselveiligheid, fiscaliteit, …), de paperassen-winkel in en rond de landbouw is niet te overzien. Voor wie kiest voor Bio, komen daar nog eens de bio-regelgeving en -controles bovenop. Bovendien wordt de wetgeving rond bio-landbouw tegelijk steeds meer detaillistisch én alsmaar meer grootschalig. De annexen bij de wetgeving vertonen weelderig groeiende lijsten met verboden of toegestane hulpmiddelen. Tevens worden de regels voor de hele EU gestroomlijnd, ongeacht grote regionale agrarische verschillen. In deze hele zucht naar regelgeving en controle nemen haarklieverij, bureaucratie en anonimiteit overhand toe. De winnaars zijn blijkbaar vooral de controle-organismen die zowel in aantal als in omvang toenemen. Het gevolg is dat sommige boeren wel biologisch zouden willen telen, maar de extra regels, administratie en kosten er niet willen bijnemen, en dus niet omschakelen. Zowel de overheid als de bio-sector zelf zullen zich moeten beraden over de vraag hoe men verder wil omgaan met controle in de bio-landbouw. Het heilig geloof in strikte wetgeving en sluitende controles gaat uit van een mens- en wereldbeeld dat niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van de bio-beweging, die berusten op zelfregulering, autonomie, wederzijdse afhankelijkheid en samenhang. Steeds strikter reguleren en controleren zet aan tot meer spitsvondigheid bij overtreders. De toenemende grootschaligheid en anonimiteit geven juist aanleiding tot meer fraude. Het verzorgen van sociale netwerken, het voeden van de visie en motivatie van bio-telers en –verwerkers en het informeren van consumenten biedt naast officiële controle andere (misschien zelfs meer) mogelijkheden om kwaliteit te garanderen. Daar zijn reeds mooie voorbeelden van in de internationale biologische en biologisch-dynamische beweging (participatieve controle, collegiale toetsing, actieve consumentenparticipatie,…).
Een ander knelpunt op rechtsvlak ligt in het feit dat de overheid en de grote gangbare landbouworganisaties enerzijds wel belijden dat ze bio-landbouw willen laten groeien, maar anderzijds niet bereid zijn om in cruciale wetgeving de bio-landbouw ook effectief positief te discrimineren. Zo zouden het ontstaan van gemengde bio-bedrijven, het duurzaam gebruik van organische mest of de toegang tot landbouwgrond voor biologische boeren niet mogen geremd worden door wetgeving die volledig op maat wordt gemaakt van de gangbare landbouw. Dit is bijv. het geval in de Vlaamse mestwetgeving die er vooral is om de excessen in de gangbare landbouw in te perken en in het nadeel werkt van biologische boeren; ook in het meest recente ontwerp voor MAP 4.
Daarnaast is er nog een bijkomende rechtsonzekerheid in de bio-landbouw: na 20-30-40 jaar hard werken aan bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit op het landbouwbedrijf weet een bio-boer niet altijd of zijn werk zal worden voortgezet. Als zijn opvolger de bio-teelt niet verder zet, gaat veel werk weer verloren. Daartoe zijn structuren nodig die biolandbouwgronden over de generaties heen blijvend voor bio-teelt kunnen bestemmen.
De ideologische drempel
Alsof al het voorgaande nog niet voldoende was, komt hier nog een ideologische drempel bovenop. Dat vraagt wat historische duiding. Eeuwen lang sloten in de landbouw beroepspraktijk en levensbeschouwing bij elkaar aan : het respect voor het leven en de band met de natuur waren zowel feitelijk als ideologisch realiteit. Door de wetenschappelijke ontsluiting van de landbouw, kwamen echter vakkennis en levensbeschouwing steeds meer tegenover elkaar te staan. Vooral de eenzijdige reductionistische benadering van levensprocessen, groeifactoren en teelttechnieken die onder impuls van de opeenvolgende industriële revoluties doordrong in de landbouw, zette de dialoog tussen levensvisie en beroep zwaar onder druk. Wat eerst helemaal in Gods handen lag, kwam geheel in handen van de reductionistische wetenschap terecht. Het mysterie van het leven werd verklaarbaar en maakbaar. Onderzoekers, voorlichters en handelsvertegenwoordigers vertelden boeren vanaf nu hoe het moest ipv de clerus. Het respect voor het leven, het ontzag voor de natuur en de eigen intuïtieve verbondenheid met het agro-ecosysteem verdwenen als irrelevante
factoren op de achtergrond en maakten plaats voor geloof in de technologie en het menselijk vernuft. De innerlijke leegte die hierdoor ontstond, werd opgevuld met steeds grotere tractoren, hogere productiecijfers en zwaardere leningen. Vragen rond zingeving en ethiek werden verbannen uit de landbouw. En daarmee trad ook een diep schisma op in de hoofden en de harten van vele boeren en boerinnen: het schisma tussen de dagelijkse praktijk en het sluimerende gevoel dat er iets niet klopt. Ideologisch gezien hebben bioboeren dit dilemma hersteld : zij proberen hun levensvisie en hun beroepspraktijk weer met elkaar in overeenstemming te brengen. Dat maakt echter voor vele gangbare boeren – meestal op een onbewust niveau- de aanwezigheid van bio-boeren tot een benauwende confrontatie. Sommigen gaan ter wille van hun eigen gemoedsrust zelfs zo ver dat ze het bio-gedachtegoed bestempelen als een goddeloos eco-centrisme. Ook op dit vlak moet je als bio-boer dus sterk in je schoenen staan om de tegenwind te weerstaan.
Nog steeds totaal onderschat
Naar onze mening is dit ideologisch conflict nog steeds één van de meest onderschatte aspecten in de grote weerstand tegen verduurzaming in de Vlaamse landbouw. Toch blijft dat meestal volkomen buiten beeld. Veel gangbare boeren zijn op het vlak van hun zelfbeeld én wereldbeeld in een zwart gat terechtgekomen door de grote ontwrichting in de landbouw, die de voorbije decennia heeft plaatsgevonden. Een belangrijk deel van hen is daarin verhard en afgesloten voor een open communicatie rond zingeving. En dat terwijl een boer van oudsher een 'religieus' mens is (re-ligere is het latijnse woord voor verbinden), maw een mens die diep verbonden is met de natuur en z'n omgeving en daar zelf ook verbindend in werkt. In de praktijk zijn vele hedendaagse boeren echter, ondanks het dagelijkse werk dat ze met bodem, plant en dier verrichten, daar niet meer écht mee verbonden. De levende organismen waar ze dagelijks mee werken zijn door de hele agro-industriële context herleid tot productiefactoren.
Ongetwijfeld voelen veel gangbare boeren en –niet in het minst- boerinnen voortdurend een torenhoge spanning tussen dat wat ze dagelijks doen op hun bedrijf en dat wat hun hart hen daarover vertelt. Ze voelen diep vanbinnen dat het niet klopt om zo met het leven om te gaan, maar krijgen toch voortdurend te horen dat het nu eenmaal zo moet en dat ze wel degelijk verantwoord bezig zijn. Ze zijn de dagelijkse uitvoerders van een ziek landbouwmodel. Daar moet een mens toch helemaal gespleten van worden: je moet omwille van je eigen overleving de natuur die je beheert bestrijden, onderdrukken en vervuilen, je krijgt daar alle middelen toe aangereikt en je krijgt vanuit je sector de boodschap dat het geen kwaad kan; desondanks word je bestempeld als vervuiler en dierenmishandelaar en krijg je amper de kostprijs voor je werk en je product; je krijgt vanuit je beroepsleven geen enkel ethisch of moreel kader meer aangeboden; je zit in een moreel isolement en een ethisch deficit.
Als dan mensen komen pleiten voor duurzaamheid, dierenwelzijn en landschapsbehoud dan ervaren gangbare boer(inn)en dat niet zelden als een impliciet en onterecht verwijt, als een aanslag op hun inkomen, als eco-terrorisme of als naïeve sentimentaliteit. Hun overlevingsdrang dwingt hen om zich af te sluiten voor alternatieven die niet in hun bereik liggen. Het lijkt alsof ze geen hart meer hebben; enkel nog een hoofd om te rekenen en handen om te werken. Ze zitten vast. Als het té erg wordt, kunnen ze met steun van hun vakorganisaties hun frustratie eens uitleven via betogingen of protest. Maar hun diepe morele nood verwoorden, wordt hen niet geleerd. In zo'n situatie is de inspirerende visie op het leven, die de basis vormt van de biologische landbouw, tegelijk een bedreigende en hoopvolle uitweg.
Tijd voor een nieuwe communicatiecultuur vanuit de bio-beweging?
Op basis van bovenstaande overwegingen, kan de bio-beweging zich beraden over de wijze waarop ze met gangbare boeren wil en zal communiceren. Het zijn niet de gangbare landbouworganisaties die hierin de weg zullen wijzen; hun rol hierin is zeer dubbel: enerzijds belijden zij dat ze voorstander zijn van verduurzaming en erkennen ze de biolandbouw als een voorbeeld daarin -zolang het maar een kleine "niche" blijft-, anderzijds doen zij ten gronde niets om gangbare boeren uit hun diepe persoonlijke crisis te helpen. Wél voorzien ze in "stervensbegeleiding" voor boeren die deze paradoxen niet meer aankunnen en promoten ze nevenactiviteiten ("verbreding") onder de vorm van zorg, directe verkoop, educatie of recreatie, die het gebrek aan inkomen en zingeving in de landbouw zelf, op een ander vlak wat moeten compenseren.
De bio-beweging zal zich dus op eigen initiatief de vraag moeten stellen hoe ze opnieuw de aandacht voor zingeving en ethiek in het boerenwerk kan aanzwengelen en vervolgens kan aantonen dat precies op dit vlak de bio-landbouw de boer een hele nieuwe waaier aan mogelijkheden te bieden heeft.
- Hoe kan respect voor het leven een prominent thema worden in de communicatie rond bio-landbouw naar boeren?
- Hoe kan de bio-beweging op dit vlak 'opendeurdagen' houden?
- Mogen geïnteresseerde gangbare boeren iets vernemen over de ideologische achtergronden van de bio-beweging en haar individuele bio-boeren die vaak zeer authentieke en diepgaande motieven hebben om op deze wijze voor aarde en mens te zorgen? Of is het enkel toegestaan hen te verwijzen naar de wetgeving, de lastenboeken, de controle-organisaties, de premies en de marktspelers?
Er zijn vele werkvormen denkbaar die op dit vlak een uitwisseling tussen gangbare en bioboeren mogelijk kunnen maken. De bestaande instrumenten schieten echter tekort. Om werkelijk tot gesprek te komen over motivatie, beroepsethiek, arbeidsvreugde, respect voor het leven en dergelijke meer, is vertrouwen nodig en veiligheid. Dat bereikt men niet wanneer men gangbare boeren in groep samenbrengt; daarvoor is de sociale druk onder hen vaak te groot. In kleine groepjes en met behulp van gepaste begeleiding kan dit wél.
We moeten af van het idee dat een gangbare boer(in) die zich vragen stelt over bio enkel nood heeft aan "informatie". Meer dan dat heeft hij/zij wellicht ook nood aan een andere VISIE. Maar waar vernemen ze daar meer over? Wie luistert naar hun noden op dat vlak?
Wie durft hen inspireren en open, maar zonder verwijt, te spreken over de ideologische en ethisch-morele aspecten van de bio-landbouw? Wie reikt hen inspirerende motieven aan en verwijst naar publicaties, websites of films die niet enkel de boer als vakmens voeden maar ook z'n ziel en geest?
In haar poging om breed maatschappelijk geïntegreerd te raken in de landbouwwereld, zwijgt de bio-beweging al te vaak daarover aan de kant van de boeren; hoogstens de consument krijgt hierover iets te horen. Om boeren te overtuigen wordt net als de overheid en de gangbare landbouworganisaties gegoocheld met cijfertjes, wetgeving en marktontwikkelingen. Het goud van de bio-beweging zit nochtans in haar visie op landbouw.
Als die op tafel komt, worden mensen warm van binnen. Benieuwd hoeveel taaie, geharde gangbare boer(inn)en hiervoor toch nog kunnen smelten als ze de kans krijgen om hier werkelijk kennis mee te maken.
Geert Iserbyt & Koen Dhoore Oktober 2010 |