Opinie-reeks ‘De korte keten’ Deel 3 Duurzame ketenontwikkeling

Dit is het 3e en laatste deel van de opiniereeks over de korte keten. Deel 1 (vrije marktlogica in de korte keten) verscheen in sept 2018, deel 2 (ontwikkelingen in de korte keten) in maart 2019 en dit 3e deel in juni 2019.

De week van de korte keten (begin mei) is weer achter de rug. Voor steeds meer (bio-) landbouwbedrijven is korte-keten-afzet een uitweg voor een betere prijs, een lokalere verweving, een grotere voldoening en een duurzamere landbouwpraktijk. Maar korte-keten-afzetstrategieën hebben ook hun nadelen: ze kunnen onmogelijk alle consumenten bedienen, bereiken vanuit landelijke gebieden moeilijk de stad, vergen in veel gevallen extra werk van boer en boerin, verhandelen vele kleine volumes, vragen extra investeringen en zo meer. De korte keten is niet de finale oplossing voor een algemeen duurzame voedselketen. In menig opzicht is de korte keten -met maximaal 1 tussenschakel tussen boer en consument- eerder een vorm van ‘kortsluiting’. Het is een vorm van directe koppeling van de twee uiteinden van een keten, die om allerlei redenen ecologisch, economisch, sociaal, structureel en qua visie is ontaard tot een spel van machtsposities, belangen, winstbejag, anonimiteit, uniformiteit, grootschaligheid en voedselkwaliteit, die gereduceerd wordt tot voedselveiligheid.

Boer en consument rechtstreeks of met maximaal 1 tussenschakel met elkaar verbinden, maakt het mogelijk op die falende aspecten in de lange keten weer verbinding en kwaliteit te creëren. Maar betekent dit dan dat die meerwaarden in de lange keten per definitie onmogelijk te realiseren zijn? Neen. Dat is wel degelijk mogelijk en dat bewijzen ook -tot nu toe vooral- buitenlandse voorbeelden. Maar dan moeten we wel op het vlak van sociale en economische uitgangspunten en qua structuren (rechtsvormen) en waarden anders gaan denken. Een beetje inspiratie uit onze buurlanden.

Roven – Ruilen – Delen

Als achtergrond eerst even een wat filosofische blik op de economische geschiedenis.

Zolang mensen in een omgeving woonden die voldoende voedsel kon bieden vanuit de natuur of rond trokken in een beperkte regio, konden ze voor de voorziening van hun behoeften steunen op een vorm van symbiotisch samenleven met hun natuurlijke omgeving waarbij evenwichten niet teveel werden verstoord. Dat was een vorm van zelfvoorziening in uitwisseling met de natuur waarbij zich nog geen echte uitwisseling met andere partijen afspeelde.

Eénmaal mensen zich over grotere afstanden gingen bewegen, ontstond de verleiding van de economische logica van het roven. Wat je zonder (voor)zorg en zonder evenwaardige wederkerigheid kon stelen van de natuur of van anderen door uitmoorden, overheersing of uitbuiting, hoefde je niet zelf op te brengen. Zo ontstond de mogelijkheid om zichzelf te verrijken ten koste van anderen en van de natuur. Die logica hebben zowat alle Europese landen tot in de vorige eeuw toegepast in hun koloniaal beleid en is ondanks de huidige officiële onafhankelijkheid van de meeste koloniale gebieden nog steeds niet verdwenen.  Ook tegenover de natuur blijven we dat massaal doen.

Zodra mensen zich vast gingen vestigen en aan landbouw gingen doen, waren symbiose of roverij geen optie meer en ontstond door overschotten de economische opportuniteit om te ruilen op een lokale of verder afgelegen ‘markt’. Wat men te veel had kon men ruilen tegen goederen die een naburige gemeenschap op overschot had. Een ruil is echter niet per se fair en gaat ook niet noodzakelijk uit van gelijkwaardige verhoudingen. De verrijking van een minderheid blijft mogelijk en dat ervaren we nog steeds dagelijks in onze vrije wereldmarkt-ruileconomie waarin geld als universeel ruilmiddel is gecreëerd, maar ondertussen ook zelf een doel op zich is geworden.

Een volgende stap in het economisch bewustzijn gaat in de richting van een deel-economie. Door op een meer gelijkwaardige basis de beschikbare grondstoffen, commons, goederen en diensten met elkaar te delen, kunnen welvaart en welzijn breder gedeeld worden en hoeven macht en rijkdom niet langer geconcentreerd te blijven bij een minderheid. De ontwikkeling naar een deel-economie is in onze huidige maatschappij volop aan de gang en wordt steeds meer zichtbaar: van co-housing over deel-voertuigen, samentuinen, burgercoöperaties (o.a. energie) tot allerlei vormen van het uitwisselen van goederen en diensten zonder dat daar klassieke vergoedingen tussen aanbieder en gebruiker tegenover staan. Zowel ecologische, economische als sociale motieven liggen aan de grondslag van deze deel-economie.

Een voedselketen die waar dan ook in de keten berust op het roven of niet eerlijk (fair) vergoeden van arbeid, grondstoffen, vruchtbaarheid, diversiteit, gezondheid, e.d. kan geen duurzame voedselketen zijn. Een duurzame biologische voedselketen heeft nood aan een minstens faire ruil-economie en beter nog een deel-economie waar gelijkwaardige samenwerking tussen alle schakels in de keten het uitgangspunt vormt. Dat lijkt misschien voor sommigen utopisch en niet realistisch, maar het is minder ver af dan het lijkt. Net daarom is bijv. de groeiende ontwikkeling van de CSA-beweging in Vlaanderen zo’n hoopvol signaal. Bij Community Shared (!) Agriculture staat delen centraal. Maar dan zitten we weer in de korte keten. Hoe doe je dat in de lange keten?

Samenwerken ipv opsplitsen

In een faire ruileconomie en een gelijkwaardige deeleconomie is samenwerken van cruciaal belang. Niet enkel door overleg of prijsafspraken waarbij ieder toch nog steeds vooral vanuit het eigen belang blijft denken en (ver)handelen. Maar ook door gezamenlijke ketenvormende organisaties op te richten waarin alle actoren vertegenwoordigd zijn, elkaar kennen en elkaar ondersteunen. En die bestaan!

Ze gaan niet langer uit van de opsplitsing van elke schakel in de keten in een aparte belanghebbende partij die steeds in eerste instantie voor het eigen belang opkomt, maar het verenigen van alle partijen aan één ronde tafel (symbolisch). Een uitgelezen werkvorm daarvoor is de co-öperatie, wat letterlijk ‘samen-werking’ betekent. Zo’n coöperaties bestaan; niet enkel tussen producenten of handelaars maar ketenbreed. We lichten er even 3 buitenlandse voorbeelden uit.

Odin Coöperatie (NL)

odinOdin is een vrij grote speler op het vlak van distributie van biologische voeding in Nederland, actief sinds begin de jaren ’80 en ondertussen gefuseerd met De Nieuwe Band. Het bedrijf is altijd al sterk waarden gedreven geweest en is op veel vlakken pionier in duurzaamheid en overleg met de andere partners in de keten. Het bedrijf heeft zich omgevormd tot een coöperatie met 23 eigen winkels, een groothandel, een bezorgdienst en ruim 250 afhaalpunten en daarnaast ook een eigen imkerij en boerderij. De coöperatie telt meer dan 8.000 coöperanten en heeft tot doel een duurzame keten te ontwikkelen. https://www.odin.nl/over-odin/cooperatie/

Regionalwert AG Freiburg (DE)

regionalRegionalwert is een vennootschap die een duurzame lokale voedselketen in de regio van het Zuid-Duitse Freiburg ondersteunt. Doel is onder meer om lokale productie en consumptie in een afgebakende regio met elkaar te verbinden. De werking is breed en inspireert ook gelijkaardige initiatieven in andere regio’s (bijvoorbeeld Hamburg).https://www.regionalwert-ag.de/detail/unsere-ziele/

 

Project Collegiale Keten (NL)

collegiale ketenSinds 2009 werken de Nederlands-Vlaamse BD-Vereniging en Stichting Demeter samen aan de ontwikkeling van Collegiale Toetsing. Dat is een Participatief Garantie Systeem (PGS) waarbij collega biodynamische boeren elkaars bedrijf bezoeken en door middel van een brede screening van alle facetten van het bedrijf, de kwaliteit en duurzaamheid van de bedrijfsvoering spiegelen. Een Collegiale Toetsings-bijeenkomst op een bedrijf leidt tot een aantal werkpunten die het bezochte bedrijf zichzelf voorneemt. Na 2 jaar wordt het bedrijf opnieuw getoetst en wordt met de collega’s gekeken hoe de werkpunten zijn aangepakt. De intentie van deze aanpak is niet zozeer een vorm van controle, maar vooral een collegiale vorm van spiegeling en coaching tot continue verdere kwaliteitsontwikkeling.

Dit project was de inspiratie voor het project Collegiale Keten, dat in een bepaalde regio alle partijen die deelnemen aan eenzelfde keten (boeren, verwerkers, groothandel, winkeliers en consumenten samen brengt in één groep. Zij gaan bij elk van de partijen op bezoek en krijgen daar letterlijk en figuurlijk inzicht in de interne keuken. Zo wordt samen en collegiaal gekeken hoe de gehele ketenwerking duurzamer en met meer oog voor ieders noden kan worden georganiseerd. Ook hier worden werkpunten geformuleerd en bij een volgende ronde in het volgende jaar weer geëvalueerd. https://www.collegialeketen.nl/

Laat ons hopen dat ook in Vlaanderen dergelijke ketenbrede overleg- en samenwerkingsvormen ontstaan, die niet enkel oog hebben voor de productstroom zelf, maar ook faire economische relaties en gelijkwaardige sociale verhoudingen ontwikkelen, zodat niet enkel de eigen winst maar ook de gezamenlijke winst het doel wordt in de voedselketen.

Geert Iserbyt

Als vormings- en kenniscentrum voor de biologische landbouw vindt Landwijzer vzw het belangrijk om bij te dragen aan het maatschappelijk debat en om opinies te publiceren rond actuele thema’s en ontwikkelingen op het (raak)vlak van landbouw, natuur, milieu en voeding. Opinies die in de lijn liggen van de missie en visie van Landwijzer.
De auteur schrijft deze opinie in eigen naam en is verantwoordelijk voor de inhoud.
Deze opinie verwoordt de visie van de auteur en is geen weergave van de visie van Landwijzer vzw als geheel.

Reageren? Mag! Stuur je reactie/opinie naar: webmaster@landwijzer.be

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!